Toelichting op het programma – voorjaar 2016

Josanne Stavenuiter (Soliste)

Karakterschets van een hoornist

Ik heb ze leren kennen in alle soorten en maten, maar het slag waar ik mij het meest door heb laten inspireren is ambitieus maar collegiaal, en zowel muzikaal als sociaal een prominente aanwezigheid. Zo’n hoornist kan zichzelf volledig de grond in bekritiseren, maar is ook tot muzikale euforie en (zelf)verheerlijking in staat.
Van mijn eerste hoorndocent Johan Donker Kaat leerde ik voornamelijk de ideale klank immer na te streven; hij tolereerde geen halve poging. Altijd moest ik een nog stralendere en rondere toon vormen. Ik leerde geen liedjes. Na drie jaar bijvak kon ik geen examen doen, maar ik ben zo dankbaar voor deze belangrijke les.
Door in orkesten samen te spelen met ervaren collega’s stak ik een hoop op over samenwerken in een sectie. Hoe je als lage hoorns de hoge kunt dragen, hoe je als sectie de krachten kunt verdelen in lange zware symfonieën zodat iedereen het redt tot de laatste maat. Hoe belangrijk het is dat er balans en cohesie is en hoe je je naar elkaars klank moet voegen om de individuele partijen samen te laten smelten tot één machtig hoorngeluid.
Mijn hoornstudie had een vliegende start doordat ik al gevorderd pianiste was. Toen deze stroomversnelling in een kalmer vaarwater terecht kwam merkte ik dat de ervaring die ik opdeed in orkesten invloed had op mijn inzicht in de pianomuziek. Ook merkte ik dat wat ik van medemuzikanten (hoornisten, dirigenten en docenten) leerde, ging toepassen in mijn eigen pianospel en in mijn overdracht aan leerlingen.
Mensen vragen wel eens welk instrument ik het liefst bespeel. Nog niet zo lang geleden zou ik hebben gezegd dat piano nou eenmaal mijn werk geworden is en dat de hoorn mijn nieuwe uitlaatklep is. Inmiddels gaan de twee gelijk op; er heeft overdracht plaatsgevonden. Ik ben pianiste én hoorniste.

Orkestsuite nr. 1

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

In 1878-1879 schreef Tsjaikovski deze suite voor orkest en droeg haar op aan zijn bewonderaar en financier gravin Nadezjda Filaretovna von Meck. Dertien jaar lang bestond een briefwisseling tussen beiden en bood de gravin hem de mogelijkheid zich volledig op het componeren te richten. Afgesproken was evenwel dat ze elkaar nooit zouden ontmoeten.
Tsjaikovski combineerde West-Europese en Russische invloeden in zijn muziek. Dit werd door andere, meer patriottistische, Russische componisten niet altijd gewaardeerd, maar evengoed werd hij alom geroemd om zijn rijke melodieën. Ook wist hij op creatieve wijze een walsthema te verwerken in veel van zijn composities.
Na het schrijven van zijn vierde symfonie was Tsjaikovski toe aan iets lichters. De herontdekking van de orkestsuites van Bach in Duitsland gaven hem de muzikale vrijheid en inspiratie om de orkestsuite nr. 1 te schrijven. Weloverwogen ging hij aan de slag om een stuk te schrijven dat kort en licht was, maar toch met muzikale samenhang.
Tijdens het schrijven van de suite sloeg de wet van Murphy toe. Gedurende een reis naar Florence raakte Tsjaikovski’s bagage zoek. Daarin bevonden zich de drie tot dan toe geschreven delen. Tsjaikovski benutte de wachttijd met het schrijven van de twee laatste delen. Toen de bagage eenmaal terecht was bleken de drie eerste delen echter verdwenen.
Tsjaikovski schreef deze delen opnieuw en bracht alles naar de drukker. Toen sloeg de twijfel toe. Pas bij het zien van de printplaten realiseerde hij zich dat de muziek in alle vijf delen in tweeën telden en dat kon natuurlijk niet. Snel schreef hij een nieuw deel – het Divertimento – in drieën, ter afwisseling van het ritme van de overige delen. Nu waren er echter zes in plaats van de geplande vijf delen. Tsjaikovski kon niet beslissen welk deel eruit moest en daarom vroeg hij een leerling en de uitgever om raad. Deze wisten hem ervan te overtuigen dat alle zes delen een plek verdienden in de orkestsuite en zo gingen ze alle zes in 1879 te Moskou in première.
De première werd positief ontvangen, en ook de pianoleraar van de kinderen van de gravin, componist Claude Debussy, reageerde zeer opgetogen op de bewerking voor piano à quatre-mains.
De delen worden vaak los van elkaar gespeeld en vandaag zullen wij er twee ten gehore brengen.
In het ‘Intermezzo’ wordt een bescheiden fuga afgewisseld door een brede melodie in een A-B-A-B-A structuur. We zwijmelen nu eens mild en meeslepend en dan weer groots en dramatisch, in de zo herkenbare romantische melodieën.
Het ‘Divertimento’ is een wals waarin aspecten van De Notenkraker te herkennen zijn. De klarinet opent de dans. Al snel stroomt de dansvloer daarna vol en wisselen strijkers en blazers elkaar af in melodieuze lijnen en begeleiding. Dan klinkt weer alleen de klarinet, zwieren we allemaal nog even rond en eindigen met een buiging naar elkaar.

Sylvia Keijser

tsjakovski-handtekening
Tsjaikovski’s handtekening

 

Hoornconcert nr. 1

Richard Strauss (1864-1949)

Richard StraUSSRichard Strauss componeerde het eerste hoornconcert in 1882 toen hij 18 jaar was. Het was bedoeld als een cadeautje voor de 60e verjaardag van zijn vader Franz, die eerste hoornist was in het concert van de Münchense opera.
Het spel van vader Franz was alom bekend om zijn glorieuze vertolkingen van onder andere de hoornpartijen in Wagners opera’s, ook al was Franz daar geen fan van. Wagner schijnt eens opgemerkt te hebben: “[Franz] Strauss is een vreselijke vent, maar als hij hoorn speelt kun je niet langer boos op hem zijn”.
Het stuk heeft een zeer jeugdig elan. Zozeer zelfs dat vader Franz het onder andere door de hoge Bes-noot te riskant vond om zelf uit te voeren. De première werd daarom toevertrouwd aan Gustav Leinhos, van het hoforkest uit Meiningen. Het concert is dan ook een van de veeleisendste solowerken dat voor de hoorn geschreven is.
Het werk wordt altijd uitgevoerd met de Franse hoorn (ook wel ventielhoorn genoemd). Gek is wel dat boven het werk ‘Waldhorn-Konzert’ staat, wat aangeeft dat het door een (ventielloze) natuurhoorn gespeeld zou kunnen worden – wat misschien technisch wel zou kunnen maar praktisch vrijwel onmogelijk is. Maar naar verluidt zou het hier misschien om een vader-zoon grap gaan. Zijn vader speelde immers veel liever natuurhoorn dan Franse hoorn. Natuurhoorns hebben als beperking dat ze alleen natuurtonen voort kunnen brengen. Door de uitvinding van het ventiel kon de buis van het instrument langer worden gemaakt waardoor de grondtoon van het instrument lager werd. Bij drie ventielen kwamen er simpel gezegd drie buizen bij en door deze ventielen apart te gebruiken of juist te combineren kon er ineens een veel grotere chromatische reeks tonen worden bereikt (zie onderstaande afbeelding).
Het stuk bestaat uit drie delen die zonder pauze in elkaar overgaan. Es groot is een krachtige, vitale en heroïsche toonsoort, die daarom veel gebruikt wordt in hoornsolowerken.
De première van de georkestreerde versie in 1885 werd dus niet door vader Franz maar door een ander gespeeld. Richard schreef na afloop aan zijn vader dat de solist met “kolossaler Sicherheit” had gespeeld. Een verjaarscadeau met een bittere nasmaak als je het mij vraagt!

Leo de Haan

 

natuurhoorn
natuurhoorn
franse hoorn
Franse hoorn

Symfonie nr. 3

Jean Sibelius (1865-1957)

sibeliusJean Sibelius wordt algemeen gezien als de grootste componist van zijn land: Finland. Hij heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het ontwikkelen van een nationale identiteit, zeer belangrijk in het streven naar onafhankelijkheid van Rusland!
Naast bekende werken als ‘Finlandia’ schreef hij maar liefst zeven symfonieën. Zijn composities worden nog altijd veel gespeeld, zowel in Finland als daarbuiten.
De eerste twee symfonieën zijn romantisch van aard. De derde kan gezien worden als de overgang naar een nieuwe muziektaal. De eerste uitvoering vond plaats op 17 september 1907 door het Helsinki Philharmonic Society orkest, met de componist als dirigent.
Deze symfonie is redelijk onbekend, en dat is heel jammer, want juist in dit werk zet Sibelius een belangrijke stap voorwaarts naar een eigen klankidioom. Hadden de eerste symfonieën de kenmerkende vaart en verve van de romantiek, in dit werk doet de invloed van o.a. Schönberg zich gelden. Hier veel minder blazersgeweld en de strijkers domineren bij de presentatie van het belangrijkste materiaal op een zeer expressieve wijze.
Het Allegro moderato heeft een beknopte maar volmaakte sonatevorm: expositie van het thema, de doorwerking en de reprise. Hiermee grijpt Sibelius terug naar een klassieke traditie.
Het Andante neemt de gedaante van een gracieus rondo aan. Over dit deel bestaan grote verschillen van opvatting onder dirigenten. Is het een speels intermezzo of is het geheimzinnig, introspectief? Iets om naar uit te kijken: wat doet onze Nicholas Devons hiermee?
Het derde deel, de finale, is ronduit fascinerend. Hier manifesteert zich de zoektocht naar een nieuw, eigen klankidioom: experimenten met atonaliteit en maatwisselingen. Een structuur als een organisch groeiproces, krachtig, mysterieus als de (Finse) natuur zelf.
Voor dirigent en orkest een geweldige uitdaging!

Anneke Alders-Teeuwen

 

slee